WELK GELOOF
Wilfred hangt aan het klimrek in het kleine speeltuintje tussen de huizen. ‘Heerlijk, bijna kerst. Lekker eten, kerstboom, cadeautjes. Heb je daar ook zo’n zin in?’ Gerben zit op de rand van de zandbak. ‘Ja, maar niet om wat je noemt. Kerstfeest is het feest van de geboorte van de Heere Jezus.’ Wilfred laat het klimrek los en komt naast z'n vriendje op de rand van de zandbak zitten. ‘Mijn ouders geloven dat niet. En ik dus ook niet.’ ‘Ik wel’, antwoordt Gerben. ‘Dat zal wel’, vindt Wilfred. ‘Maar dat komt omdat jouw ouders in God geloven. Als jouw ouders een ander geloof hadden dan geloofde je in die god. En mijn ouders zeggen dat alle goden onzin zijn. Zij geloven niks.’ Gerben is stil. Daar heeft hij eigenlijk nog nooit over nagedacht. Zou dat zo zijn? Is hij toevallig christen omdat z'n ouders dat zijn? Het houdt hem de hele dag bezig. Waarom geloven ze eigenlijk in de christelijke God? Gelukkig wonen opa en oma vlakbij. Die weten er heel veel van. En dus besluit hij naar het huis van z'n grootouders te gaan. Hij treft opa aan bij de keukentafel. Voor hem liggen hulsttakjes, kaarsen en nog veel meer. ‘Wat bent u aan het doen?’ vraagt hij. Opa kijkt op. ‘Hé Gerben, wat leuk. Oma is een dagje met haar zus op stap. Om haar te verrassen maak ik een kerststukje voor op tafel.’ ‘Mooi’, zegt Gerben terwijl hij op een keukenstoel geldt. ‘Zin in warme chocolademelk?’ informeert opa. ‘Altijd’, antwoordt Gerben blij. Opa loopt naar de koelkast en haalt er een pak chocolademelk uit. ‘Mag ik wat vragen, opa?’ ‘Ja natuurlijk jongen.’ Gerben denkt even na. ‘Waarom geloven we eigenlijk in de christelijke God?’ Opa, die net een pannetje pakt, kijkt hem verbaasd aan. ‘Hoe kom je daar nou bij, joh?’ ‘Wilfred zegt dat als mijn ouders niet christelijk geweest waren dat ik dan niet in onze God zou geloven. En z'n ouders zeggen dat alle goden onzin zijn want zei geloven niks.’Opa grinnikt en schenkt de chocola in het pannetje. ‘Ik geloof er niks van dat de ouders van Wilfred niks geloven.’ ‘Maar dat zegt Wilfred zelf.’ ‘Klopt’, zegt opa. ‘Wilfred's ouders denken dat ze niks geloven. Maar dat is onzin. Alle mensen geloven. Wilfred's ouders geloven dat alles zomaar is ontstaan. En dat is ook een geloof. Zeg maar een ongeloof-geloof.’ Gerben schiet in de lach. ‘Ongeloof-geloof, da’s een goeie. Maar hoe zit het dan met ons geloof?’ Opa zet het pannetje op de kookplaat en komt naast hem zitten. ‘Er zijn heel veel redenen waarom ik in onze God geloof. Ik kan er zo wel een paar noemen. Er wonen ongeveer 2,5 miljard christenen op de wereld. De Bijbel is in bijna alle talen vertaald. We horen bij een hele grote groep gelovigen. Meer dan welk ander geloof ook. En weet je wat ook bijzonder is aan God. Het is een God en tegelijk Vader, Zoon en Heilige Geest. God is niet alleen, maar God is samen. Hij weet zelf wat het is om van elkaar te houden.’ Gerben knikt. Dat weet hij wel. ‘En weet je hoeveel de Heere God van ons houdt?’ gaat opa verder. ‘Hij is naar de aarde gekomen om voor de zonden te betalen. Dat vieren we met kerst. Stel je voor. JE hoeft niet van alles voor die goden te doen om door hen aardig gevonden te worden, maar onze God heeft alles over voor ons. We mogen dit door geloof als een cadeau ontvangen. Geweldig toch. En Hij heeft de dood overwonnen. Ik ben dolblij met zo’n God.’ ‘Ik ook opa’, zegt Gerben. ‘En ook met u.’ Opa schenkt lachend de chocola in twee mokken. ‘Dank je, ik ook met jou.


























